Tag: lijfrente

  • Oudedagsverplichting Omzetten Naar Lijfrente Biedt DGA’s Meer Flexibiliteit

    Oudedagsverplichting Omzetten Naar Lijfrente Biedt DGA’s Meer Flexibiliteit

    Directeur-grootaandeelhouders die hun pensioen in eigen beheer omzetten naar een bancaire lijfrente, krijgen meer zeggenschap over de uitkeringen dan bij een oudedagsverplichting. Dit kan al vijf jaar voor de AOW-leeftijd starten, of juist later en met een kortere looptijd.

    Directeur-grootaandeelhouders (DGA’s) die nog een oudedagsverplichting (ODV) op de balans van hun vennootschap hebben staan, kunnen meer keuzevrijheid krijgen door deze om te zetten naar een bancaire lijfrente. Waar een ODV relatief strikte regels kent voor het uitkeringsmoment en de looptijd, biedt een lijfrente meer soepelheid. Vooral voor DGA’s die hun uitkeringspatroon willen afstemmen op hun persoonlijke financiële situatie, kan deze stap interessant zijn.

    De mogelijkheid om pensioen in eigen beheer op te bouwen, werd op 1 juli 2017 door de Nederlandse overheid afgeschaft. Veel DGA’s kozen er toen voor om hun opgebouwde pensioen om te zetten in een ODV, die als een schuld op de balans van hun BV komt te staan. Deze ODV moet uiterlijk twee maanden na het bereiken van de AOW-leeftijd beginnen met uitkeren, en heeft een vaste looptijd van twintig jaar. Vroeger beginnen mag, maar niet eerder dan vijf jaar voor de AOW-leeftijd, en dan wordt de looptijd verlengd.

    Vaste kaders en flexibele alternatieven

    De ODV-regeling is rigide. Een DGA die niet voldoet aan de eisen voor de ingangsdatum of de looptijd, riskeert dat de fiscus de waarde van de ODV in één keer belast, inclusief 20 procent revisierente. Dit gebrek aan flexibiliteit maakt de ODV minder aantrekkelijk voor veel DGA’s die hun vermogen anders willen inzetten. Evi van Lanschot benadrukt dat een bancaire lijfrente op dat vlak meer ademruimte biedt. Een lijfrente mag bijvoorbeeld al tien jaar voor de AOW-leeftijd uitkeren, en hoeft pas binnen vijf jaar na de AOW-leeftijd te starten. Ook de looptijd is flexibeler; een minimale looptijd van vijf jaar is mogelijk, in plaats van de vaste twintig jaar van de ODV.

    Het omzetten van een ODV naar een lijfrente kan geheel of gedeeltelijk. Zelfs een ODV die al uitkeert, kan nog worden afgestort, al gelden dan strengere voorwaarden. Dan moet de volledige ODV worden afgestort en is voorafgaande goedkeuring van de Belastingdienst vereist. De Belastingdienst staat ook aanpassingen toe als een BV te weinig vermogen heeft om de ODV af te storten, mits dit komt door reële ondernemingsverliezen en de BV daarna wordt geliquideerd. Dit toont aan dat de fiscus wel degelijk oog heeft voor uitzonderlijke omstandigheden, maar de basisregel blijft dat een ODV een langetermijnverplichting is met beperkte speelruimte.

    Meer keuze en minder administratie

    De grotere flexibiliteit van een lijfrente betekent dat DGA’s de uitkeringen beter kunnen afstemmen op hun individuele behoeften. Zo is het mogelijk om meerdere lijfrenten te combineren, bijvoorbeeld om in de eerste jaren na de AOW-leeftijd een hogere uitkering te ontvangen en later een lagere. De jaarlijkse uitkeringen uit een tijdelijke oudedagslijfrente mogen in 2026 niet meer bedragen dan 27.192 euro. Een bijkomend voordeel is de mogelijkheid om na de omzetting de BV op te heffen, wat de administratieve lasten en de fiscale situatie aanzienlijk kan vereenvoudigen. Dit is een niet te onderschatten pluspunt voor ondernemers die na een lange carrière hun financiën willen stroomlijnen.

    Wij zien hierin vooral de wens van DGA’s weerspiegeld om controle te behouden over hun vermogen, zelfs na hun actieve loopbaan. De starre aard van de ODV botst met de realiteit van veranderende levensfases en financiële behoeften. De mogelijkheid om een ODV af te storten in een bancaire lijfrente biedt een welkome ontsnapping aan deze fiscale kaders, en geeft ondernemers de kans om hun pensioeninkomen dynamisch aan te passen. Denk bijvoorbeeld aan de keuze tussen een bancaire lijfrente, waarbij het resterende bedrag bij overlijden naar erfgenamen gaat, of een verzekeringslijfrente, waar het geld bij een verzekeraar kan blijven. Die keuzevrijheid is veel waard.

    Wat betekent dit nu?

    De optie om een oudedagsverplichting om te zetten naar een bancaire lijfrente biedt DGA’s een aanzienlijke verhoging van de flexibiliteit in hun pensioenplanning. Door de vaste kaders van de ODV te verlaten, kunnen zij de start en duur van hun uitkeringen beter afstemmen op persoonlijke omstandigheden, wat meer maatwerk mogelijk maakt. Dit kan leiden tot een efficiënter beheer van het pensioenvermogen en de BV-structuur, en een aanzienlijke vereenvoudiging van de administratie.

  • Lijfrenteverzekering Versus Bancaire Lijfrente: Begrijp De Impact Op Nabestaandenuitkeringen

    Lijfrenteverzekering Versus Bancaire Lijfrente: Begrijp De Impact Op Nabestaandenuitkeringen

    Of nabestaanden een uitkering ontvangen, hangt af van het type lijfrente. Is de lijfrente ondergebracht bij een verzekeringsmaatschappij (lijfrenteverzekering) of bij een bank of beleggingsinstelling (bancaire lijfrente)?

    Bij een lijfrenteverzekering moeten we twee fasen onderscheiden: de opbouwfase en de uitkeringsfase. In de opbouwfase hangt het ervan af of er een uitkering bij overlijden is meeverzekerd. Zo ja, dan moet de overlijdensuitkering worden gebruikt voor een nabestaandenlijfrente, de begunstiging op de polis bepaalt wie er recht op heeft. In de uitkeringsfase hangt het ervan af of bij het begin van de uitkering een overdracht is overeengekomen.

    Bancaire lijfrente: opbouw- en uitkeringsfase

    Bij een bancaire lijfrente behoort de lijfrenterekening bij overlijden geheel of gedeeltelijk tot de nalatenschap. Er is dus nooit sprake van kapitaalverlies. Ook hier is er een onderscheid tussen twee fasen: de opbouwfase en de uitkeringsfase. Wie recht heeft op de nabestaandenuitkering hangt af van het huwelijksgoederenregime en een eventueel testament.

    Inkomsten- en Erfbelasting

    De nabestaandenuitkering wordt belast in box 1 voor de inkomstenbelasting bij de ontvangende nabestaande. Voor de erfbelasting is het belangrijk om te weten welk type lijfrente het betreft. Er moet onderscheid gemaakt worden tussen nieuw-regime lijfrente bij een verzekeraar, oud-regime lijfrente bij een verzekeraar en bancaire lijfrente.

    Vraag & Antwoord

    Wat gebeurt er met mijn lijfrente als ik overlijd?
    Dat hangt van het type lijfrente af. Bij een lijfrenteverzekering is het afhankelijk van de opbouw- en uitkeringsfase, terwijl bij een bancaire lijfrente de lijfrenterekening bij overlijden geheel of gedeeltelijk tot de nalatenschap behoort.

    Hoe worden de nabestaandenuitkeringen belast?
    De nabestaandenuitkering wordt belast in box 1 voor de inkomstenbelasting bij de ontvangende nabestaande. Voor de erfbelasting hangt het af van het type lijfrente.

    Wat is het verschil tussen een lijfrenteverzekering en een bancaire lijfrente bij overlijden?
    Bij een lijfrenteverzekering is het afhankelijk van de opbouw- en uitkeringsfase, terwijl bij een bancaire lijfrente de lijfrenterekening bij overlijden geheel of gedeeltelijk tot de nalatenschap behoort. Er is bij een bancaire lijfrente dus nooit sprake van kapitaalverlies.