Tag: Huishoudens

  • Noodfonds Energie Opent Met 193 Miljoen Euro Budget, Maar Lost Energiearmoede Niet Op

    Noodfonds Energie Opent Met 193 Miljoen Euro Budget, Maar Lost Energiearmoede Niet Op

    Vanaf 4 januari kunnen huishoudens in Nederland opnieuw een beroep doen op het Noodfonds Energie, dat dit jaar 193 miljoen euro beschikbaar stelt. Hoewel de regeling ruimer is opgezet, zijn experts kritisch over de structurele oplossing van energiearmoede.

    Vanaf 4 januari kunnen Nederlandse huishoudens met een laag inkomen en een hoge energierekening weer aankloppen bij het Noodfonds Energie. De regeling loopt tot en met 7 mei en heeft een budget van 193 miljoen euro, ruim drie keer meer dan vorig jaar. De overheid verwacht hiermee ongeveer 500.000 huishoudens te kunnen ondersteunen. De uitbetalingen variëren van 120 tot 1.800 euro per huishouden, gespreid over twaalf maanden.

    Deze ronde van het noodfonds is breder toegankelijk dan voorheen. Zo kunnen nu ook studenten en huishoudens met blokverwarming of een aansluiting op een warmtenet een aanvraag indienen. Daarnaast is de aanvraagprocedure vereenvoudigd, met onder meer de mogelijkheid voor een papieren aanvraag en een langere indieningstermijn van vier maanden. Dit is een directe reactie op eerdere kritiek van de Nationale Ombudsman, die de procedure vorig jaar als ‘oneerlijk’ bestempelde vanwege de digitale drempels.

    Tijdelijke pleister op de wonde

    Ondanks de verbeteringen en het grotere budget blijven experts kritisch. Zij zien het noodfonds als een tijdelijke noodmaatregel die de kern van het probleem, de ‘verborgen energiearmoede’, niet aanpakt. TNO-onderzoeker Peter Mulder wijst erop dat veel huishoudens met een laag inkomen bewust de verwarming nauwelijks aanzetten om kosten te besparen. Hierdoor blijft hun energierekening laag, waardoor ze buiten de boot vallen bij regelingen die juist kijken naar hoge energiekosten. Zoals Peter Mulder aangeeft: “Hun energierekening blijft zo laag, maar dat betekent wel dat ze in de winter in de kou zitten.”

    De gemiddelde tegemoetkoming van 360 euro per huishouden die minister Hans Vijlbrief verwacht, schiet voor veel mensen tekort. Vorig jaar kwamen arme huishoudens met hoge energiekosten gemiddeld zo’n 600 euro per jaar tekort. Directeur Marieke Vollering van Energiebank Nederland benadrukt dat deze groep dagelijks moet kiezen tussen koken of stoken. Wij zien vooral dat een hogere uitkering per aanvrager mogelijk meer zoden aan de dijk zou zetten, in plaats van de focus te leggen op een breder bereik met een lager gemiddeld bedrag.

    Waarom het fonds later opent

    Het Noodfonds Energie opent later dan oorspronkelijk gepland. Dit is een bewuste keuze van het kabinet, omdat verwacht wordt dat de energietarieven vanaf 1 januari verder zullen stijgen. Door de aanvraagperiode pas op 4 januari te starten, kunnen deze hogere tarieven worden meegenomen in de beoordeling, waardoor huishoudens mogelijk aanspraak kunnen maken op een hogere tegemoetkoming. Deze aanpak kan leiden tot een effectievere ondersteuning voor degenen die het het hardst nodig hebben, al blijft het een reactie op de gevolgen en niet op de oorzaken van de stijgende energiekosten.

    De context van de stijgende energiekosten is complex. Wereldwijde gebeurtenissen, zoals de oorlog in het Midden-Oosten, drijven de energierekening verder op. Terwijl de angst-en-hebzuchtmeter in de cryptomarkt op 29 september om 15:32 nog op 73 stond (Greed), wat duidt op een positief sentiment onder beleggers, ervaren veel huishoudens juist een toenemende financiële druk. Deze kloof tussen de financiële markten en de dagelijkse realiteit van veel burgers is opvallend.

    Wat betekent dit nu?

    Het Noodfonds Energie biedt dit jaar een welkome verlichting voor een grotere groep huishoudens. De verbeterde toegankelijkheid en het hogere budget zijn positieve stappen. Echter, wij houden het erop dat de fundamentele kwestie van energiearmoede en de structurele aanpak daarvan nog onvoldoende aandacht krijgen. Het blijft een tijdelijke pleister op een diepere wond, die vraagt om langetermijnoplossingen. De discussie over structurele maatregelen en het actief opsporen van kwetsbare huishoudens zal onverminderd doorgaan.

  • Na Prinsjesdag Plannen Gaat Doorsnee Huishouden Toch Minder Achteruit In Koopkracht

    Na Prinsjesdag Plannen Gaat Doorsnee Huishouden Toch Minder Achteruit In Koopkracht

    Het Centraal Planbureau (CPB) heeft zijn eerdere prognose voor de koopkracht van Nederlandse gezinnen aanzienlijk verbeterd na de aankondigingen op Prinsjesdag. Vooral de laagste inkomens en gepensioneerden zien een lichte vooruitgang.

    Eerder dit jaar, in augustus, ging het Nederlandse Centraal Planbureau (CPB) nog uit van een koopkrachtdaling van 0,3 procent voor een doorsnee huishouden in 2025. Na de recente aankondigingen op Prinsjesdag, de presentatie van de Rijksbegroting, is deze prognose bijgesteld. Het CPB verwacht nu dat een gemiddeld huishouden er volgend jaar ‘slechts’ 0,1 procent op achteruitgaat.

    Deze lichte verbetering is het directe gevolg van de maatregelen die de Nederlandse regering heeft voorgesteld. Vooral huishoudens met de laagste inkomens en gepensioneerden zien een positiever beeld. Volgens het CPB gaan de laagste inkomens er 0,2 procent op vooruit, terwijl gepensioneerden zelfs een plus van 0,3 procent mogen verwachten. Dit komt doordat pensioenfondsen er goed voorstaan en de pensioenen kunnen verhogen, en werkenden een grotere korting krijgen op hun inkomstenbelasting.

    Gerichte Steun Aan Kwetsbaren

    CPB-directeur Pieter Hasekamp benadrukt dat het kabinet ‘iets doet om voor bepaalde groepen de koopkracht iets op te krikken’. De focus ligt duidelijk op gerichte steun aan huishoudens met een lager inkomen en op het stimuleren van verduurzaming. Zo komt er opnieuw een Tijdelijk Noodfonds Energie voor mensen met een laag inkomen en hoge energierekening, en zijn er subsidies voor energiebesparende maatregelen en de aankoop van een tweedehands elektrische auto.

    Deze aanpak is een gedeeltelijke tegemoetkoming aan de oproep van het CPB in augustus om te focussen op kwetsbare groepen en tegelijkertijd de afhankelijkheid van geïmporteerde fossiele energie te verminderen. Wij zien hierin een poging om de sociale ongelijkheid, die vaak toeneemt in tijden van economische onzekerheid, enigszins te verzachten. De verandering van 0,3 naar 0,1 procent achteruitgang lijkt misschien klein, maar voor veel gezinnen kan dit verschil maken in een begroting die toch al onder druk staat.

    Nibud Maakt Zich Zorgen Over De Langere Termijn

    Ondanks de bijgestelde cijfers blijft er onzekerheid. Het CPB wijst op het minderheidskabinet, wat betekent dat veel van de Prinsjesdagmaatregelen nog politieke steun moeten krijgen. Ook de geopolitieke situatie, met name rond Iran, kan een grote invloed hebben op brandstof- en energieprijzen, wat met name huishoudens met lage tot middeninkomens hard zal treffen.

    Het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) is kritischer. Zij benadrukken dat de koopkracht vooral achteruitgaat door belastingverhogingen van het kabinet, met name de inkomstenbelasting. Zonder deze plannen zouden mensen er gemiddeld een ruime procent op vooruitgaan, stelt het Nibud. Bovendien zijn sommige bezuinigingsmaatregelen uitgesteld tot 2028, wat het Nibud zorgen baart over een mogelijke ‘klap’ op langere termijn. Zij roepen het kabinet op om kwetsbare groepen ook op de lange termijn te ontzien, zeker gezien de huidige situatie waarin veel huishoudens met lage inkomens en extra zorgkosten hun minimale uitgaven al niet kunnen betalen.

    Economische Groei Blijft Stabiel

    De Prinsjesdagmaatregelen hebben volgens het CPB nauwelijks invloed op de economische groei. Net als in augustus gaat het Planbureau uit van een economische groei van 1,2 procent voor volgend jaar. Het begrotingstekort wordt geraamd op 2,2 procent en de staatsschuld op 46,7 procent van het bruto binnenlands product. Dit toont aan dat, hoewel er gerichte ingrepen zijn om de koopkracht te stutten, de bredere economische vooruitzichten stabiel blijven, zij het met aanzienlijke onzekerheden.

  • 42 Procent Nederlandse Huishoudens Sluiten Beleggen Uit, Europa Doet Dat Veel Minder

    42 Procent Nederlandse Huishoudens Sluiten Beleggen Uit, Europa Doet Dat Veel Minder

    Een onderzoek van ING toont aan dat Nederlandse huishoudens aanzienlijk meer geld op de bank laten staan dan hun Europese buren en beleggen vaker uitsluiten, ondanks de lagere rendementen.

    Waar de meeste Europeanen steeds meer de weg naar beleggingen vinden, blijken Nederlandse huishoudens een buitenbeentje. Uit een recent onderzoek van ING, gecombineerd met data over spaar- en beleggingsgedrag, blijkt dat een opvallend grote groep Nederlanders beleggen categorisch uitsluit. Maar liefst 42 procent van de Nederlandse huishoudens wil absoluut niet beleggen, tegenover een gemiddelde van zo’n 30 procent in de rest van Europa.

    Deze terughoudendheid is opmerkelijk, zeker gezien de politieke druk vanuit het Draghi-rapport en de Europese Centrale Bank (ECB) om spaargeld meer naar de reële economie te leiden. De ECB ziet meer beleggingen door huishoudens als een stimulans voor innovatie en groei. ING, dat uiteraard zelf belang heeft bij meer beleggende klanten, legt met deze cijfers de vinger op een pijnlijke wonde: nergens in Europa sluiten zo veel huishoudens beleggen uit.

    Waarom Nederland Anders Spaart

    De Nederlandse afkeer van beleggen lijkt minder cultureel en meer institutioneel bepaald te zijn. Nederlanders zijn weliswaar vermogend, vaak via pensioenfondsen, maar houden juist minder liquide beleggingen aan. Gemiddeld beschikken ze over ongeveer 25.000 euro aan liquide beleggingen, terwijl het Europese gemiddelde 43.000 euro bedraagt. Ons sterke pensioenstelsel neemt voor velen een deel van de noodzaak weg: 29 procent van de Nederlanders vindt beleggen overbodig voor later, vergeleken met 22 procent elders in Europa.

    Daarnaast injecteren veel Nederlanders hun spaargeld in de eigen woning. Het fiscaal aantrekkelijker aflossen op een hypotheek dan beleggen speelt daarin een belangrijke rol. Ook zit een aanzienlijk deel van het Nederlandse vermogen in niet-beursgenoteerde bedrijven. Al deze factoren zorgen ervoor dat relatief weinig geld de weg naar de beurs vindt. Dat is een gemiste kans, want tussen 2002 en 2025 leverden bankrekeningen gemiddeld 1,2 procent per jaar op, beleggingsfondsen 4,2 procent en beursgenoteerde aandelen zelfs 6 procent.

    Beleggen Gelijkstellen Met Gokken

    De beeldvorming rond beleggen speelt ook een grote rol. De helft van de Nederlanders noemt risicoaversie als reden, en 44 procent ziet beleggen als gokken in een casino, een plek waar de uitkomst willekeurig is en het huis altijd wint. Nog eens 39 procent wijst op een gebrek aan kennis. Dit staat haaks op de vuistregels die volgens ING-hoofdeconoom Marieke Blom weinig kennis vereisen: beleg alleen geld dat je jaren kunt missen, spreid in producten met lage kosten en blijf ervan af als de beurs tegenzit. Toch voelt een derde van de Nederlanders de neiging om uit te stappen bij slechts 10 procent verlies.

    Toch zien we een voorzichtige kentering. In heel Europa daalde het aandeel van geld op bankrekeningen in 2025 tot 62 procent van het liquide vermogen, het laagste sinds 2008. In Nederland gaat dat trager, met banktegoeden die nog steeds 76 procent van het liquide vermogen uitmaken, maar de richting is dezelfde. De jongste generatie, tussen 25 en 34 jaar, belegt bijna even vaak als leeftijdsgenoten elders. Wij zien daarin een signaal dat de reflex om enkel te sparen stilaan doorbroken wordt, zeker als landen zoals Zweden en binnenkort Duitsland met fiscale prikkels het beleggen aantrekkelijker maken.

  • Vanaf 2027 Betaalt Een Gemiddeld Huishouden 89 Euro Meer Voor Het Nederlandse Stroomnet

    Vanaf 2027 Betaalt Een Gemiddeld Huishouden 89 Euro Meer Voor Het Nederlandse Stroomnet

    De kosten voor het onderhoud en beheer van het stroom- en gasnet in Nederland zullen volgend jaar flink toenemen, vooral door de enorme investeringen in de energietransitie.

    Waar huishoudens tot nu toe de kosten voor het stroomnet gestaag zagen stijgen, komt daar in 2027 een aanzienlijke versnelling in. De Nederlandse toezichthouder ACM heeft een prognose vrijgegeven waaruit blijkt dat de gemiddelde huishoudens volgend jaar 89 euro meer kwijt zullen zijn aan hun energienet dan dit jaar. Dat is een stijging van bijna 20 procent, wat nog bovenop de verwachte hogere kosten voor gas en elektriciteit zelf komt.

    Deze forse toename weerspiegelt de gigantische investeringen die Nederlandse netbeheerders, zoals Liander en Stedin, moeten doen. Nederland wil immers meer huizen bouwen en minder afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen, wat betekent dat er extra kabels en transformatorstations nodig zijn voor nieuwe wijken en windparken op zee. Volgens de ACM zijn deze investeringen noodzakelijk, en worden ze via de transporttarieven doorberekend aan zowel huishoudens als bedrijven.

    Investeringen Schieten Omhoog

    De kosten voor de verbouwing van het stroomnet nemen de komende jaren alleen maar toe. In 2023 investeerden de netbeheerders nog iets meer dan 6 miljard euro in het stroomnet. Dit jaar wordt verwacht dat dit bedrag al verdubbeld is, en tegen 2028 zou het zelfs boven de 16 miljard euro per jaar kunnen uitkomen. Dat is een stijging van ruim 160 procent ten opzichte van de investeringen van vorig jaar, wat de schaal van de uitdaging duidelijk maakt.

    Toch verwachten de netbeheerders zelf dat de jaarlijkse stijging na 2027 zal afvlakken tot 5 à 7 procent per jaar. De uitzonderlijk hoge stijging voor volgend jaar komt deels doordat eerdere netuitbreidingen duurder uitvielen dan verwacht. Bovendien hanteert de ACM een nieuwe rekenmethode die netbeheerders sneller vergoedt en hen beter in staat stelt in te spelen op onzekere kosten. Wij zien hierin een poging om de netbeheerders financieel gezond te houden, wat essentieel is voor de broodnodige energietransitie, al komt de rekening wel direct bij de consument terecht.

    Flexibele Tarieven Op Komst

    Niet alle netbeheerders verhogen hun tarieven even sterk. Liander, een van de grootste spelers, verhoogt de kosten met 23 procent, terwijl kleinere partijen zoals Coteq hun tarieven gelijk houden of zelfs licht verlagen. Dit verschil kan te maken hebben met de lokale infrastructuur en de specifieke investeringsbehoeften in hun verzorgingsgebieden.

    Om de pieken op het stroomnet te verminderen en verdere investeringen te beperken, willen de netbeheerders vanaf 2029 werken met een flexibeler tariefsysteem. Dit betekent dat het dan uitmaakt op welk moment van de dag je stroom verbruikt, vergelijkbaar met dal- en piekuren voor stroomlevering. Zo hoopt men de vraag beter te spreiden en de druk op het net te verlichten, wat op termijn de kostenstijging mogelijk kan temperen. Het is een delicate balans tussen noodzakelijke investeringen en de betaalbaarheid voor de burger, een vraagstuk dat uiteindelijk bij de politiek lijkt te landen.

  • Belgen Sparen Minder Dan Het Europese Gemiddelde, Met 12,7 Procent Van Hun Inkomen

    Belgen Sparen Minder Dan Het Europese Gemiddelde, Met 12,7 Procent Van Hun Inkomen

    De spaarquote van Belgische huishoudens lag in 2023 onder het Europese gemiddelde, wat de perceptie van een extreme ‘spaardrift’ nuanceert. Een aanzienlijk deel van de spaarcenten blijft bovendien op de zichtrekening staan, wat wijst op een voorzichtige houding.

    De Belgische spaarquote lag vorig jaar op 12,7 procent van het beschikbaar inkomen. Dat is opvallend, want het Europese gemiddelde bedroeg 13,8 procent. Deze cijfers, afkomstig van de Nationale Bank van België en Eurostat, nuanceren het beeld van de Belg als een overdreven spaarder. Wij zien vooral dat de Belgische huishoudens weliswaar sparen, maar niet meer dan de gemiddelde Europeaan.

    Een aanzienlijk deel van dit spaargeld belandt bovendien op zichtrekeningen. Eind 2023 stond er maar liefst 159 miljard euro (ongeveer 159 miljard euro) op deze rekeningen, waar het rendement vaak minimaal is. Dit wijst op een zekere terughoudendheid om het geld te beleggen of op een spaarrekening met een hogere rente te plaatsen. De Nationale Bank van België merkt op dat de spaarquote in de eurozone in het vierde kwartaal van 2023 licht daalde, wat suggereert dat consumenten mogelijk meer uitgaven doen.

    Spaarquote daalt licht in Europa

    De spaarquote in de eurozone daalde in het laatste kwartaal van 2023 naar 14,7 procent, een lichte daling ten opzichte van de 15,0 procent in het derde kwartaal. Tegelijkertijd steeg de investeringsquote van huishoudens naar 9,0 procent, een stijging van 0,2 procentpunt. Dit kan betekenen dat consumenten hun geld vaker aanwenden voor investeringen, zoals de aankoop van vastgoed of duurzame goederen, in plaats van het opzij te zetten.

    De Belgische situatie toont een interessante dynamiek. Hoewel de totale spaarquote lager is dan het Europese gemiddelde, blijft een groot deel van het geld ‘slapend’ op zichtrekeningen staan. Dit kan een gevolg zijn van de aanhoudende onzekerheid over de economie of een gebrek aan kennis over alternatieve beleggingsmogelijkheden. Wij zouden hier niet te snel conclusies trekken over een gebrek aan financiële geletterdheid, maar eerder over een afwachtende houding.

    Waarom blijft geld op zichtrekeningen?

    De keuze om 159 miljard euro op zichtrekeningen te laten staan, is een belangrijke observatie. Het brengt geen of nauwelijks rendement op, zeker in tijden van inflatie. Dit gedrag kan verschillende oorzaken hebben:

    • Onzekerheid: Economische onzekerheid kan huishoudens ertoe aanzetten om geld direct beschikbaar te houden voor onverwachte uitgaven.
    • Lage rentes: Hoewel de spaarrentes de laatste tijd zijn gestegen, zijn ze nog steeds niet altijd even aantrekkelijk, wat de drempel voor overboeking naar een spaarrekening kan verhogen.
    • Gebrek aan alternatieven: Niet iedereen is even vertrouwd met beleggen of andere financiële producten, waardoor de zichtrekening als de veiligste optie wordt gezien.

    Deze cijfers tonen aan dat het beeld van de Belg als ‘kampioen sparen’ genuanceerd moet worden. Er wordt weliswaar gespaard, maar de manier waarop en de omvang ervan wijken af van wat vaak wordt aangenomen. Het is een situatie die we bij Block #9 verder op de voet volgen, want het zegt veel over het vertrouwen van de consument in de economie en de financiële markten.